Werkplekleren over de grens

Overzicht van de verschillende vormen van werkplekleren in Vlaanderen en Nederland

Wat is werkplekleren?

Wat wordt precies bedoelt met werkplekleren? Wat zijn de voordelen?

 

Bij de term 'werkplekleren' denkt men al snel aan de combinatie van werken en leren in het onderwijs. Deze combinatie is in Vlaanderen mogelijk via het deeltijds onderwijs (leertijd, dbso of duaal leren) en in Nederland via de beroepsopleidende- en de beroepgsbegeleidende leerweg (BOL en BBL). Zowel in Vlaanderen als Nederland worden één of meerdere dagen les in een school afgewisseld met enkele dagen werken in een bedrijf. Wanneer we echter naar de definitie van werkplekleren kijken, valt het op dat werkplekleren breder gaat dan enkel deeltijds onderwijs.

De definitie van werkplekleren is: “leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is”. Dit blijft erg vaag. 'Een arbeidssituatie' kan breed geïnterpreteerd worden. Belangrijk is dat de context waar de lerende leert in meer of mindere mate bij het werkveld ligt. Ter verduidelijking enkele voorbeelden van werkplekleren:

  • Bedrijfsbezoek,
  • Simulatieonderwijs,
  • Gastles door werkveldpartner,
  • Projecten die aangeleverd, begeleid of mee beoordeeld worden door het werkveld,
  • Kijk-, doe- en inleefstages,
  • Duaal leren en andere vormen van deeltijd(s) onderwijs,

Werkplekleren wordt gedefinieerd als “leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is”.

Voordelen van werkplekleren

De voordelen van werkplekleren hangen uiteraard nauw samen met de bewuste vorm van werkplekleren. De lijst met voordelen is eindeloos:

  • Werkplekleren is een win-win-win. Zowel leerlingen, bedrijven als scholen leren voortdurend bij.
  • Voor scholen is het geen evidentie om te beschikken over de meest up-to-date infrastructuur. Door werkplekleren krijgen leerlingen de kans om aan de slag te gaan met het materiaal aanwezig in het werkveld.
  • Leerlingen leren al doende. Naast het opdoen van kennis krijgen ze de kans om vaardigheden en attitudes te ontwikkelen.
  • De band tussen onderwijs en arbeidsmarkt wordt versterkt.
  • In tijden van krapte op de arbeidsmarkt, vergroten ondernemingen de kans om jong talent binnen te halen. Bovendien is de kans op verloop lager bij werknemers die als leerling meedraaiden in een onderneming. Ze weten goed wat de job inhoudt en maken een bewuste keuze.

Werkplekleren binnen het LES-project

In het LES-project wordt de brede definitie van werkplekleren gehanteerd. Via drie proeftuinen wordt geëxperimenteerd met verschillende vormen van werkplekleren (stages, technische werkopdrachten, …).

Hieronder ontdek je de verschillende vormen van leren en werken in Vlaanderen en Nederland. Andere vormen van werkplekleren, waarmee in de proeftuinen wordt geëxperimenteerd, komen als laatste aan bod.

Leren en werken in Vlaanderen

Maak kennis met duaal leren, deeltijds beroepssecundair onderwijs, de leertijd en werkplekleren in het hoger onderwijs.

In Vlaanderen kunnen leerlingen in het secundair onderwijs leren en werken combineren via drie systemen. Instappen kan vanaf 15 jaar op voorwaarde dat de eerste twee jaar van het secundair succesvol werden afgerond. Indien dit niet het geval is kunnen leerlingen starten vanaf 16 jaar.

 

Duaal leren

Duaal leren is een relatief 'nieuwe' vorm van werkplekleren. Een opleiding duaal leren kan geïntegreerd worden in het TSO, BSO en het buitengewoon onderwijs. Daarnaast kan een duale opleiding gevolgd worden in een centrum voor deeltijds onderwijs of bij een Syntra-lesplaats. Binnenkort zal ook het hoger onderwijs duale opleidingen aanbieden.

Bij duaal leren verwerven leerlingen vaardigheden op de werkvloer én in een school, centrum voor deeltijds onderwijs of Syntra-lesplaats. Dit in tegenstelling tot andere vormen van deeltijds onderwijs in Vlaanderen, waarbij competenties verworven worden op school en deze worden uitgetest op de werkplek. Duaal leren vormt dus een ideale mix van leren in een onderneming en op school. Hoeveel dagen een leerling per week op de werkplek leert, hangt af van de studierichting. Meestal gaat het om twee tot drie dagen.

Wie start met duaal leren wordt ondersteund door een mentor op de werkplek en een trajectbegeleider op school. De trajectbegeleider zoekt samen met de leerling naar een geschikte werkplek en staat in voor de opvolging van het volledige leertraject.

Duaal leren is enkel bedoeld voor arbeidsrijpe of quasi arbeidsrijpe leerlingen. De klassenraad en de trajectbegeleider beslissen of een leerling er klaar voor is. Er wordt hiervoor een screening georganiseerd. Een duale opleiding bestaat uit een standaardtraject. Hierin staat gedetailleerd beschreven wat de jongere minimaal moet leren, zowel wat algemene vorming (op school) als wat beroepsgerichte vorming (op de werkplek) betreft.

 

Deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) en de leertijd

Zowel het deeltijds beroepssecundair onderwijs als de leertijd is bedoeld voor jongeren die niet langer voltijds op de schoolbanken willen zitten. Ze hebben vaak moeite met het klassieke voltijdse schoolsysteem.

Deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt aangeboden door een Centrum voor Deeltijds Onderwijs (CDO) en de leertijd wordt georganiseerd door een SYNTRA- opleidingscentrum. Jongeren kunnen pas starten met een opleiding in de leertijd nadat ze een overeenkomst met een onderneming hebben afgesloten.

Anders dan de naam doet vermoeden zijn beide systemen ook voltijdse opleidingen van minimum 28 uur per week. In het DBSO volgen leerlingen twee dagen per week les in het CDO (component leren, min. 15 uur per week) en gaan drie dagen per week werken (component werkplekleren, min. 13 uur per week). Bij de leertijd volgt een leerling 1 dag per week les op een SYNTRA- lesplaats en gaat 4 dagen per week effectief werken in een onderneming.

In het DBSO worden afhankelijk van de arbeidsrijpheid en arbeidsbereidheid van de jongere drie trajecten georganiseerd. Een screening bepaald het meest geschikte traject:

  • Arbeidsdeelname: voor leerlingen die echt willen werken (arbeidsbereid) en hiervoor ook de juiste attitudes hebben (arbeidsrijp). De werkplekcomponent wordt in dit traject ingevuld via een gewone tewerkstelling.
  • Aanloopcomponent: voor leerlingen die echt willen werken (arbeidsbereid), maar hiervoor nog enkele nodige attitudes ontbreken (arbeidsrijp).

Er zijn twee mogelijkheden:

  • Jongeren die nog moeten werken aan hun arbeidsrijpheid kunnen een aanloopcomponent ‘vorming’ volgen.
  • Jongeren die nog werkervaring missen, kunnen een aanloopcomponent ‘tewerkstelling’ volgen. Deze voorziet in een begeleide werkervaring op een reële werkplek
  • Naadloos flexibel traject (NAFT): jongeren die nog niet arbeidsgericht denken en intensieve individuele begeleiding nodig hebben, volgen een NAFT-traject. Dit kan ter vervanging van de component leren, de component werkplekleren of beide samen.

Beide systemen zijn modulair ingericht. Dit betekent dat jongeren ook deelcertificaten kunnen behalen.

 

Werkplekleren in het hoger onderwijs

Sinds academiejaar 2019-2020 zijn hogescholen verantwoordelijk voor de graduaatsopleidingen (vroeger HBO5). Deze graduaatsopleidingen bereiden je voor op het uitoefenen van een beroep en situeren zich qua niveau net onder de professionele bachelor: het algemeen niveau is minder theoretisch dan een bacheloropleiding.

Werkplekleren vormt een belangrijk onderdeel van een graduaatsopleiding en omvat minimaal een derde van de totale studieomvang.

Nuttige linken:

BOL en BBL

De beroepsopleidende- en beroepsbegeleidende leerweg

Vanaf de leeftijd van 16 jaar kunnen leerlingen in Nederland starten met een opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs (MBO). Instromen in het MBO kan voor leerlingen die in het voortgezet onderwijs kozen voor een opleiding VMBO (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs). Het MBO is onderverdeeld in 4 niveaus, elk met zijn eigen opleidingseisen:

  • Entreeopleiding (vroeger niveau 1),
  • Basisberoepsopleiding (niveau 2),
  • Vakopleiding (niveau 3),
  • Middenkaderopleiding (niveau 4).

MBO-opleiding worden georganiseerd in regionale opleidingscentra (ROC’s), vakscholen of agrarische opleidingscentra. Daarnaast zijn er ook particuliere aanbieders die MBO-opleidingen aanbieden. In het MBO kunnen jongeren kiezen uit twee leerwegen: de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) en de beroepsopleidende leerweg (BOL). Volgens de wet zijn ze gelijkwaardig: beide leerwegen leiden op tot hetzelfde diploma.

 

BBL

De beroepsbegeleidende leerweg (BBL) is een opleiding die bestaat uit een combinatie van werken en leren. Gedurende de opleiding werken leerlingen gemiddeld 4 dagen per week bij een leerbedrijf en gaan ze 1 dag per week naar school. Bij sommige opleidingen is het mogelijk dat de opbouw van de studie een andere vorm heeft. Hierbij krijgen leerlingen een paar weken les en vervolgens gaan ze een paar maanden werken bij een leerbedrijf.

Leerlingen in een BBL-opleiding doen veel praktijkervaring op en krijgen een salaris van het leerbedrijf. BBL-opleidingen zijn ideaal voor leerlingen die het niet zien zitten om vijf dagen in de week naar school te gaan en die het leuk lijkt om veel praktijkervaring op te doen.

Een BBL-opleiding is gratis voor leerlingen jonger dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar moet de opleiding wel betaald worden. Meestal wordt de opleiding dan betaalt door het leerbedrijf waar de leerling werkt.

 

BOL

De beroepsopleidende leerweg (BOL) is een dagopleiding, waarbij leerlingen 5 dagen per week naar school gaan. Gedurende de opleiding gaan leerlingen (meerdere keren) op stage. Deze stage worden georganiseerd door een erkend leerbedrijf in het vakgebied. Deze stage wordt ook wel beroepspraktijkvorming (BPV) genoemd.

Het verschilt per bedrijf of een leerling een stagevergoeding ontvangt en hoe hoog deze stagevergoeding is. Ook verschilt het per opleiding hoe vaak je op stage gaat. Wel bestaat er een afspraak waarin aangegeven wordt dat de BOL-opleiding tenminste 20% uit stage moet bestaan. Deze afspraak maakt de BOL-opleiding praktijkgericht.

Ook BOL-opleidingen kunnen kostenloos worden gevolgd door leerlingen jonger dan 18 jaar. Vanaf 18 moet opleiding wel worden betaald.

 

Een duale studie in het hoger onderwijs

Bij een duale studie worden studeren en een betaalde baan afgewisseld of gecombineerd. Werk en studie moeten elkaar aanvullen. Zonder passend werk kan een student geen duale opleiding volgen. Stage is dan niet nodig. In de periode waarin de student werkt, is hij werknemer en ontvang hij een salaris. Voor de periode dat de jongere studeert, heeft hij recht op studiefinanciering. Op de universiteit betekent duaal studeren meestal dat de studie wordt verlengd met een jaar werken in de praktijk.

 

MBO? VMBO? Ontdek hier de de onderwijsstructuur in Nederland (https://www.s-bb.nl/onderwijssysteem-in-nederland)

Meer info over de verschillende niveau's in het MBO (https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/middelbaar-beroepsonderwijs/opleidingen-niveaus-en-leerwegen-in-het-mbo)

 

Let op! Duale studie in Nederland, duaal leren in Vlaanderen? Hoewel beide onderwijsvormen het woord ‘duaal’ gemeen hebben, betekenen ze toch iets heel anders!

Andere vormen van werkplekleren

Scholen kunnen op tal van andere, meer laagdrempelige manieren inzetten op werkplekleren. Ontdek hier hoe dit wordt aangepakt binnen de proeftuinen.

Deze sectie zal verder worden aangevuld met de verschillende vormen van werkplekleren waarmee in de proeftuinen wordt geëxperimenteerd.